Download PDF

De generieke richtlijnen: een kans voor de risicovechtsportsector

De risicovechtsportsector kende de afgelopen tien jaar een opmerkelijke stijging. Thaiboksen, MMA, boksen en kickboksen kenden samen een evolutie van minder dan 1000 leden in 2002 naar bijna 6000 leden in 2011!  Deze stijging op zich zou al kunnen verantwoorden dat extra aandacht voor deze sector nodig is. Geen enkele andere vechtsport kent gedurende deze periode een gelijkaardige stijging.

Maar de risicovechtsporten kampen ook met enkele duidelijke problemen. Een eerste probleem is het al dan niet correct beeld van ‘gewelddadigheid’ dat deze risicovechtsporten brengen naar de buitenwereld toe. Vooral het feit dat het bewust veroorzaken van kwetsuren bij deze vechtsporten als aanvaardbaar wordt beschouwd, strookt niet met de visie die de Vlaamse overheid heeft omtrent Medisch Verantwoord Sporten. Vanuit deze bezorgdheid installeerde de Vlaamse overheid in 2009 een expertencommissie Risicovechtsporten om haar te adviseren. Deze commissie bezorgde eind december 2010 de bevoegde minister van Sport een voorstel van generieke richtlijnen. Deze richtlijnen hebben tot doel enerzijds de sportverenigingen die risicovechtsporten organiseren duidelijkheid te geven hoe zij kunnen beantwoorden aan het decreet van 13 juli 2007 inzake Medisch en Ethisch Verantwoorde Sportbeoefening, en anderzijds de Vlaamse overheid concrete normen te geven die haar toelaten de verplichtingen die deze sportverenigingen dragen om de medisch verantwoorde sportbeoefening voor de sporter te bewaken, te waarborgen en te toetsen. De richtlijnen zijn generiek, omdat ze niet één of meer specifieke risicovechtsporten beogen, maar gelden voor elke risicovechtsport. Ze werden ook getoetst aan de opinie van ‘het veld’ op een vergadering in november 2010 waarvoor 16 risicovechtsportorganisaties werden uitgenodigd.  De feedback van de aanwezigen was constructief en getuigde van interesse. Daarnaast hebben de meeste risicovechtsportfederaties  geen of een erg beperkte professionele werking. De drempels om te kunnen professionaliseren zijn velerlei en vaak hebben de risicovechtsportfederaties te kampen met problemen zoals:

  • het meestal niet voorkomen op de sporttakkenlijst. Enkel aikido, kendo, judo, taekwondo,  karate (non-contact), ju-jitsu, boksen (olympisch boksen), worstelen en wushu zijn momenteel opgenomen op de sporttakkenlijst. Sporten zoals kickboksen,  muaythai, MMA, … komen dan ook in het kader van het huidig sporttakkenbeleid (decreet op de sportfederaties van 13 juli 2001) niet in aanmerking voor subsidiëring.
  • de versnippering van de risicovechtsportsector en bijgevolg de ledencijfers van de federaties die vaak nog te klein zijn om in aanmerking te komen voor erkenning en/of subsidiëring.
  • de administratieve last om een erkenning aan te vragen en te behouden wat door de erkende risicovechtsportfederaties wordt aangegeven als erg zwaar, omdat ze geen professionele krachten in dienst hebben.

In vele gevallen staat of valt de werking van de risicovechtsportfederaties met de ambitie en goede wil van enkele personen. Het zijn vrijwilligers die dagelijks het beste van zichzelf geven en de verantwoordelijkheid van hun federatie op zich willen nemen. Deze personen zijn continu op zoek naar extra ondersteuning, erkenning en mogelijkheden, maar ze slagen daar niet in. De redenen hiervoor mogen niet alleen gezocht worden bij de beperkte officiële erkenning die deze sporten momenteel krijgen. De Rondetafelconferentie Vechtsporten (december 2011), waar er samen met vertegenwoordigers uit de sector en met verantwoordelijken uit verschillende beleidsinstanties nagedacht werd over het (risico)vechtsportbeleid in Vlaanderen, kwam tot de conclusie dat de Vlaamse vechtsportwereld zelf nood heeft aan imagoverbetering, degelijke omkadering en vorming en een duidelijke structurering.

Bovenstaande conclusies vinden we ook grotendeels terug in de bezorgdheden van waaruit de expertencommissie Risicovechtsporten de generieke richtlijnen heeft opgesteld. Medisch en ethisch  verantwoord sporten en de wijze waarop de verschillende betrokkenen hiermee omgaan bij de organisatie van en tijdens hun vechtsportbeoefening is onvermijdelijk gelinkt aan het imago van de risicovechtsport. Zowel de federaties als allen die erbij betrokken zijn, hebben hier dan ook een belangrijke functie te vervullen. Zo zijn de generieke richtlijnen gericht naar elke risicovechtsport en geven ze aandacht aan:

  • de wijze waarop de organisaties kunnen voldoen aan het decreet inzake de medisch en ethisch verantwoorde sportbeoefening.
  • de verantwoordelijkheid van al de betrokkenen. Elke betrokkene heeft een duidelijke taak en verantwoordelijkheid om op een medisch verantwoorde wijze met zijn sport om te gaan. Niet alleen de federatieverantwoordelijke of de clubverantwoordelijke, maar ook de trainer/coach, de jury/scheidsrechter en de atleet zelf dragen hierbij die verantwoordelijkheid. Dit noodzaakt grondige vorming van alle betrokkenen.
  • de bijzondere aandacht die nodig is voor jongeren. Jongeren zijn geen jong volwassenen en hebben nood aan een specifieke regelgeving die aandacht geeft aan hun mogelijkheden en ontwikkeling, maar ook aan hun bescherming.
  • de bewustwording over en het omgaan met de risico’s bij de beoefening van de verschillende risicovechtsporten bij alle betrokkenen.
  • de noodzaak tot grondige medische opvolging en begeleiding.

De richtlijnen helpen de risicovechtsportfederaties alvast om een duidelijk antwoord te kunnen bieden aan de medische bezorgdheden omtrent de vechtsportbeoefening. Een aantal aspecten van deze generieke richtlijnen zal het platform tijdens de komende maanden nog verder uitdiepen, maar het Risicovechtsportplatform ziet deze richtlijnen als een kans voor de risicovechtsportsector. De risicovechtsportsector kan, door samen met het Risicovechtsportplatform deze richtlijnen aan te pakken en te implementeren in haar werking, een duidelijk signaal uitsturen naar de overheden, maar ook naar het brede publiek.